Het tuinpaviljoen of de orangerie

De vroegere "orangerie", die nu gebruikt wordt als polyvalente ruimte, dateert van 1867-1868. De beroemde bouwmeester Hendrik Beyaert (1823-1894) ontwierp de plannen voor dit architecturaal meesterwerkje.

Beyaert was de succesarchitect van de 2e helft van de 19e eeuw, die overladen werd met officiële en particuliere bestellingen. (parlementsgebouw in Brussel, Nationale Bank, vele stationsgebouwen,...).

Het gebouw is een rechthoekig volume zonder verdieping, vijf vakken breed en met een leien zadeldak. In het leistenen zadeldak zijn drie even mooie locarnes te herkennen. Op het dak was er een mooie dubbele smeedijzeren ballustrade (nu om veiligheidsredenen verwijderd).

Het gebouw is een bakstenen constructie met zeer kenmerkende speklagen, het steunt op een natuurstenen sokkel.

Aan de voorkant merkt men vijf grote deur-vensters in arcadevorm met gekleurd glas en voorzien van smeedijzer. Deze "glazen" deuren kon men openen en via een terras gaven ze toegang tot de moestuin (nu sportterrein). Van gotische origine zijn de steunberen met pinakelbekroning.

De zijgevels daarentegen zijn opgevat als trapgevels bekroond met spietorentjes. De opgaande dakvensters hebben een overdadige neogotische versiering.

Het geheel wordt sinds 1959 gebruikt als kapel. Toen werd ook de achterzijde bijgebouwd. Helemaal achteraan boven het bij-altaar bevindt zich een gekleurd glasraam met wapenspreuk van de Aalmoezeniers van de Arbeid: rood-geel met kruis en zwaard en de spreuk: Justitia et Caritate.

  

Tags: